Dokter Ferdinand

Vol overgave was de net afgestudeerde dokter Ferdinand begonnen in het verpleeghuis. Het viel hem niet mee. Veel oudjes hadden last van allerlei kwalen, voelden zich eenzaam en gaven zelfs te kennen dat ze levensmoe waren. Bovendien miste dokter Ferdinand zijn grote passie, de piano. Als hij ook maar ergens een piano zag staan, moest hij er gewoon op spelen. Zijn vingers werden als vanzelf naar de toetsen getrokken. Als medicus wist hij als geen ander wat muziek met mensen deed: stotteraars stotterden niet meer als ze liederen zongen en alzheimerpatiënten herinnerden zich weer wie ze waren zodra ze bekende oude deuntjes hoorden. Zou dat ook voor andere kwalen en gebreken gelden? Dokter Ferdinand besloot van de Noot een deugd te maken. Hij liet de oude zwarte piano met koperen kandelaars uit de kelder verplaatsen naar zijn spreekkamer en vroeg elke patiënt voor de behandeling een verzoeknummer in te dienen. Dokter Ferdinands pianospel was virtuoos; als een gepassioneerd pianospeler vlogen zijn vingers over de toetsen. Harmonieuze andantes en fortissimo’s wisselden elkaar af. Zijn patiënten zaten ontroerd met tranen in hun ogen te luisteren. Pas na de impromptu van Schubert, de 24 rozen van Toon Hermans of de Appassionato van Beethoven, vroeg dokter Ferdinand aan de patiënt wat hem of haar scheelde. Een opvallend fenomeen deed zich dan voor. Bedremmeld moesten de patiënten toegeven dat ze dat eigenlijk niet meer wisten en dat het dus niet zo erg kon zijn. Ze hadden zo genoten van het oorstrelende notenspel, dat ze zich hun klacht niet meer konden herinneren. Als ze later op hun kamer kwamen wisten ze het vaak wel weer, maar dan begonnen ze het allemaal wat te relativeren. Hun klacht kon immers niet ernstig zijn, als ze die net bij de dokter gewoon waren vergeten. Het zou dus allemaal wel mee vallen. Intussen was het pianospel van dokter Ferdinand zo populair geworden, dat de wachtruimte vol zat met mensen die alleen maar kwamen luisteren en genieten van het betoverende notenspel. Elke keer als een patiënt aan de beurt was, volgde er een verzoeknummer en na elke ‘Sjostakovitsj, André Rieu of een andante van Mozart, was het antwoord op de vraag van de dokter of hij ergens mee kon helpen, heel eenvoudig ‘Nee, niet dat ik weet’. Dokter Ferdinand had een uitzonderlijk placebo medicijn uitgevonden, niet alleen voor de patiënten, maar ook voor zichzelf. Nooit eerder was de wachtruimte zo overvol, nog nooit eerder was het doktersbezoek zo uitzonderlijk hoog en nog nooit eerder waren het welzijnsgevoel en de levensvreugde zo groot geweest.